vrijdag 6 mei 2011

Posted by Picasa
Stadsboerderij hoek Gansoordstraat / Pijlstraat.
Afgeleid van hallehuistype. Gebouwd einde 17e eeuw.
(foto ca. 1955)
Posted by Picasa
Plattegrond stadsboerderij Gansoordstraat 31 / Pijlstraat 12.
Na 1956 is houten hooischuur afgebroken en op die plek zijn
woningen gebouwd. De even huisnummering van de Pijlstraat
is daarna aangepast. Nummer 6 werd nummer 12.

donderdag 5 mei 2011

Posted by Picasa
Boerderij aan de Pijlstraat - 1956
Posted by Picasa
Voorhuis van de boerderij, Gansoordstraat 31
Posted by Picasa
Boerderij hoek Gansoordstrraat / Pijlstraat (2002)
Posted by Picasa
Boerderij aan de Pijlstraat ca. 1950
Posted by Picasa
Boerderij Gansoord / Pijlstraat
Kadastraal G 470 en G 471 ca. 1900

VERVOLG: OUDERE BERICHTEN
Posted by Picasa
Boerderij Gansoord / Pijlstraat
kadastraal G 470 en 471 in 1832

Zeventiende eeuwse boerderij

___________________________________________
Inleiding
In veel Nederlandse steden en stadjes stonden ooit in de
bebouwde kom boerenbedrijven. Dergelijke stadsboerderijen
lagen meestal verspreid tussen burgerwoningen. De boerderij-
gevel maakte deel uit van dezelfde rooi- en gevellijn als de
overige huizen. Het boerenerf bevond zich binnen het huizenblok
en was toegankelijk via een steeg of wagenpad. Het vestingstadje
Naarden telde ongeveer twintig stadsboerderijen. Een aantal
hiervan was ontworpen en gebouwd als boerderij. Verschillende
andere stallen en gebouwen in de vesting hadden oorspronkelijk
geen agrarische bestemming.
In dit artikel voer ik u niet alleen langs de belangrijkste stads-
boerderijen in de vesting Naarden, ook komen herinneringen
voorbij. Allereerst beschrijf ik hoe een ‘vestingboer’ zijn bedrijf
voerde; hoe de meeste van hen overschakelden op het vee –
en zuivelbedrijf en hoe de boeren en burgers met elkaar omgingen.
Vervolgens licht ik een specifieke functie die de stadsboerderijen
vervulden in militair opzicht kort toe, evenals de bezetting:
daarna beschrijf ik de bedrijfsvoering van de boerderij aan de
Pijlstraat / Gansoordstraat 31 en het leven van hun inwoners.
Tot slot volgen in een bijlage de gedetailleerde beschrijvingen
met plattegronden.

Boerenbedrijf in de vesting
Een vestingboerderij (1) had zowel voordelen als nadelen en kende problemen die een ‘gewone’ boerderij niet had. Zo was de wintertijd geen rustige periode voor vestingboeren. Vooral het op orde houden van de mest was een probleem. Bij ijzel en strenge vorst moest de mest en gier naar ‘buiten’ gereden worden over de gladde kasseien. De wagens hadden gladde ijzeren banden en gleden soms weg. Ook kon het paard uitglijden. Het werd daarom ‘op scherp gezet’; ter vergroting van de grip werden in de tapgaten van de hoefijzers stalen pennen gedraaid. (2)
Het hooiland lag op grote afstand van de boerderij waardoor
tijdens de drukke hooibouw zeer veel tijd verloren ging. Het paard draafde met twee lege wagens er naartoe en liep stapvoets terug met twee volle hooiwagens. Er waren vijftig voer hooi nodig om twintig stuks vee de winter door te laten komen. De voermannen, vermoeid geraakt door de drukke werkzaamheden, namen meestal niet plaats op de bok, maar liepen naast de wagen. Hun grootste angst was om op de bok in slaap te vallen met alle gevolgen van dien.
Binnen Naarden werd het hooi opgeslagen in een hooischuur. De
hooiklamp die uiteindelijk ontstond reikte vanaf de grond tot de
vaak negen meter hoge nok.
Bij gevaarlijke hooibroei was het praktisch onmogelijk het hooi
naar buiten te krijgen en uit te spreiden op de openbare weg.
Verlichting kon de oorzaak zijn van een grote uitslaande brand.
Tot het midden van de twintigste eeuw was het gebruik van een
stormlantaarn (petroleumlamp) in de hooischuur heel normaal.
Het laden en ontladen van een ouderwetse boerenwagen was een
vak apart. De maximum hoeveelheid hooi was afhankelijk van de
opening van de hooischuurdeuren. Deze grootte werd bij het
beladen aangehouden. Het hooipakket werd stevig op de wagen
verankerd. Dat gebeurde door een paal midden bovenop het
voer te leggen. Aan de voor en achterzijde van de paal werden
zware touwen geslagen en verbonden met de onderzijde van de
voor en achterzijde van de wagen. Vervolgens werd aan de
achterzijde het voer vast gesjord. Bij het zogenaamde gorren
maakte men gebruik van een gorhaak (een soort primitief
hijsblok). De enorme hoog geladen vracht mocht niet op de
slechte karrensporen omvallen. Bovendien konden de houten
wielen het onderweg begeven. Bij de hooischuur aangekomen
moest er vaak nog iets van de zijkanten van het voer worden
afgekamd om de vracht naar binnen te kunnen duwen.
Een ander probleem was het snelverkeer. Vooral de Gooise
moordenaar, die zich door de nauwe vestingstraten wurmde,
zorgde voor ellende.
Op woensdag 22 juli 1896 kwam s’morgens omstreeks zeven
uur de Gooische stoomtram in botsing met een hooiwagen.
Dat gebeurde op de brug voor de toen nog bestaande
Amsterdamsche Poort. Het voer hooi hing over de leuning van
de brug en de hooiwagen was zwaar beschadigd. De eigenaar eiste
eerst toezegging van schadevergoeding, want hij had geen schuld
aan het ongeval. Pas daarna zou hij de trambaan weer vrij maken.
Bemiddeling van een Naardense wethouder bracht een oplossing
voor het conflict. Pas ‘s avonds om 9 uur kwam het tramverkeer
weer op gang. (3)

Van gemengd bedrijf naar veehouderij
Tot het einde van de negentiende eeuw hadden de vestingboeren,
net als de Gooise dorpelingen, een gemengd bedrijf. De koeien
stonden s’winters in potstallen en werden vooral gehouden voor de mest. (4) Dit was noodzakelijk om de zanderige akkers vruchtbaar te maken. Voordat de aardappel zijn intrede deed, verbouwde men koren en boekweit. De roggeoogst werd opgeslagen op slieten (losse balken) boven de deel of dors. De schoven konden daar verder drogen. Iedere wintermorgen werden enkele schoven op de dorsvloer uitgespreid en de aren met de dorsvlegel bewerkt.
Tijdens de hongerwinter (1944-1945) werd deze manier van dorsen weer toegepast, omdat dorsmachines ontbraken. Het gemengde bedrijf zou verdwijnen.
Begin twintigste eeuw braken er in Het Gooi rellen uit tussen de
erfgooiers en het oude bestuur van De Vergadering Stad en Lande
van Gooiland (verder Stad enLande), dat geheel in handen was van
de burgemeesters. Het overheidsbeleid richtte zich tegen de
belangen van de erfgooiers en ten voordele van de gegoede
forensen. Het felste verzet ging uit van de Gooise dorpelingen.
Ook de Naardense erfgooiers kozen de kant van de ‘nieuwe partij’,
die was opgericht door de bekende Floris Vos. (5)

In deze periode (1905-1912) werd in Naarden de potstal
vervangen door de schone groepstal, waardoor goede schone
consumptiemelk geproduceerd kon worden. Bovendien waren
engen (akkers) in de omgeving ten offer gevallen aan kwekerijen
en woningbouw. Zonder eigen akkers zou er een mestoverschot
zijn ontstaan, maar voortaan ging de mest naar de omliggende
volkstuintjes en vooral naar de groente - en boomkwekerijen.
Men moest wel overschakelen op de veehouderij. Vanaf die tijd
woonden binnen de wallen hoofdzakelijk veehouders, die
(tot 1943) tevens melkboeren waren. Zij bezorgden de melk
in de nieuw ontstane woonwijken en het garnizoen.

Boeren en burgers binnen de vesting
De samenstelling van de boerenbevolking binnen de vestingwallen verschilde sterk van die in de Gooise dorpen. Ongeveer een derde van de boeren stamde niet af van oorspronkelijk Gooise families. Twee derde bestond uit scharende erfgooiers, die lid waren van Stad en Lande. Ze hadden het schaarrecht om hun ‘schaar’ vee te laten grazen op de Naarder Meent en Ondersloot. In de negentiende eeuw was de schaardag altijd op de eerste mei volgens de zestiende-eeuwse Juliaanse tijdrekening, de twaalfde mei van de huidige Gregoriaanse kalender. In de twintigste eeuw werd de schaardag afhankelijk gemaakt van de toestand van het grasgewas, wat neerkwam op omstreeks mei. De schaardag had niet alleen invloed op de meenten en de koeien. Eeuwenlang bepaalde het de trouwdatum van de jonggehuwden. Praktisch alle jonge katholieke erfgooiers (alleen de Huizers waren overwegend hervormd) trouwden na het Paasfeest en voor de twaalfde mei (tijdens de vastenperiode werd normaal nooit katholiek getrouwd). De reden was dat de jonggehuwden direct gebruik konden maken van hun recht om koeien op de meent te brengen. Van de opbrengst konden ze dan de winter doorkomen.

Naarden had oorspronkelijk een verzorgingsfunctie voor de
omgeving. De vestingboerderijen behoorden tot de voedsel-
leveranciers. Ze waren zichtbaar en ruikbaar aanwezig, maar
daar werd zelden over geklaagd.
Het leven en werken op die boerderijen maakte ook deel uit van de
tradities vangeneraties Naardense jeugd. Naardense meisjes en
jongens hebben jaarlijks tijdens de hooibouw deelgenomen aan
het hooitrappen. Tientallen voeren hooi werden in een maand tijd
bij de boerderijen ondergebracht. De buurtjeugd, ieder had wel
een ‘eigen’ boerderij om de hoek, kwam tijdens het lossen van het
hooi opdagen. De kleinsten dansten en sprongen rond op de
hooiklamp, de groteren stouwden het hooi in alle hoeken en gaten.
Hiermee werd voorkomen dat de hooiklamp te snel steeg en de
hooischuur te vol raakte. Thuis kreeg de jeugd op de kop, omdat
ze onder de hooikrok (graszaad) zaten. De grotere jongens gingen
ook mee naar het hooiland en hielpen bij het handmatig harken,
keren en schudden van het hooi.

Na het ontladen van de hooiwagen, dan vochten de jongens om het paard naar de wei te brengen. Vaak werd het een dolle rit op ‘het losse paard’ in wat ze noemden de viervoet, de galop dus. Vroeg in de morgen, voor schooltijd, haalden de jongens de paarden weer van de wei. Soms een moeilijk karweitje, want de paarden lieten zich niet altijd vrijwillig vangen. Het laten beslaan van een paard bij hoefsmid Nap was een ander gewild verzetje, maar de schaardag sloeg alles. Hoeveel jongens zijn er niet iedere meimaand bij geweest tijdens het naar de wei brengen van de koeien? Eerst keken ze bij de erfgooiers toe, hoe de bulleboer (meentbeambte) een houtvuurtje maakte op het boerenerf. De brandijzers werden gloeiend gemaakt en het vee werd gemerkt. Het nummer van de erfgooier werd ingebrand, bij de koeien in de horens, bij de paarden in de hoeven.

Bij gebrek aan hooiland pachtten de vestingboeren soms het gras
van dijken, vestingwallen en bastions. Dergelijke hooibouw was
zeer arbeidsintensief. Desteile hellingen van de wallen konden
alleen handmatig met een zeis worden gemaaid. Het hooi zat vol
kruiden, was gortdroog en had mogelijk weinig voedingswaarde.
Gelukkig was de afstand naar de boerderij zeer kort, want van
dit soort is een degelijk voer hooi moeilijk te maken.

Voordat de koeien uit de stal gehaald werden volgde bij katholieke
boeren eerst nog een ritueel. Met een palmtakje (buxus) be-
sprenkelde de boerin het vee met wijwater. Het hoorde er allemaal
bij. Daarna werden de koeien één voor één van stal gehaald en op
het erf verzameld. Vervolgens werden ze en masse door de
vestingstraten naar de weide gedreven. De jongens stonden dan,
gewapend met een dikke stok, bij iedere straathoek of steeg.
Vooral de jonge pinken konden nogal wild zijn. Buiten de Amster-
damsche Poort hoefde niemand meer in te grijpen. De koeien roken
de wei en renden als dollen in die richting van de meent. Zelfs
hoogbejaarde Naarders halen dikwijls jeugdherinneringen op aan
hun aanwezigheid bij de vestingboeren.

Buurtjongens hielpen eveneens een handje tijdens de stalperiode
een handje. Koeien voeren, bieten malen en vooral bij het drenken
van het vee. Langdurig moest de pompzwengel op en neer om de
voergoot vol te pompen. Ook draaiden ze wel aan het mechanische
scheerapparaat. Om de omgeving van de uiers schoon te houden
werden van tijd tot tijd de dijen en de achterzijde van de koeien
geschoren. Een andere sport bedreven ze bij de pinken. De pinken,
puberkoeien, kregen net als menselijke pubers mee-eters. De
bulten op de rug van dit jongvee werden veroorzaakt door de
larve van de runderhorzel, die op de zachte pinkenhuid zijn eitjes
legt. Deze volgroeide larven werden door de jongens uitgeknepen
en doodgetrapt. (6)
Tijdens het weideseizoen gingen veel jongens mee met ‘hun’ boer naar de Naarder Meent. Daar hielpen zij door de koeien op te halen en naar de melkplek te brengen. Op zich een hele kunst en toer, want de Meent was een grote grasvlakte met sloten, waarover hier en daar een gladde balk lag. Bovendien liepen de honderden koeien van alle erfgooiers, ook van buiten de vesting, door elkaar. Alleen aan de tekening op de huid waren de koeien uit de verte te herkennen. De meeste koeien kwamen met melktijd wel opdagen, maar als een koe tochtig was ging ze zwerven. Zo’n koe kon afgedwaald zijn tot het uiterste westen (buurt IJsselmeerweg) of het uiterste oosten (Speeltuin Valkeveen). De beide uitersten lagen ongeveer 2.5 kilometer uit elkaar.

Tot de voltooiing van de Afsluitdijk (1932) bestond de Naarder
Meent uit een binnendijks en een buitendijks gebied. Het
buitendijks gebied werd in twee delen gesplitst door Fort
Ronduit, ten westen lag het Voorste Haverland en ten oosten
het Achterste Haverland. Het vee kon via de kade van het
fort en de ondiepe ‘Koeienzee’ van het ene deel naar het andere
lopen. Andere koek was het als het stormde. Bij een najaarsstorm
gebeurde het dat ‘de zee overkwam’. Via de overlaat in de
zomerdijk overstroomde het zeewater het weiland tot aan de
winterdijk. In dat geval werd het vee in veiligheid gebracht
op de meent achter de Westdijk.

Voorjaar 1916 stroomde zelfs het zeewater de vesting binnen. De
militaire commandant had vergeten zijn mannen opdracht de geven de schotbalken in de Zeebrug te plaatsen waardoor binnen de vesting een deel van de oostzijde onder water kwam te staan. Het was vooral aan de porders te danken dat de bewoners direct werden gewaarschuwd. Bij gebrek aan wekkers waren er mannen die van het wekken van inwoners hun beroep hadden gemaakt. Zij voorkwamen dat bakkers, binnenschippers en boeren zich versliepen. (7)

BrandgevaarEen vestingboerderij was een slapende vulkaan. Iedere donkere wintermorgen ging de boer met een stormlantaarn de koeien hooi voeren. Ook kon een boerderij in brand vliegen door hooibroei en een hele wijk in de as leggen. Door de lucht dwarrelende brandende hooislierten konden op grote afstand brand veroorzaken. Gelukkig kwam het maar een enkele keer voor, maar dan was het wel goed raak. In 1904 brandde de boerderij - Gansoordstraat 15 - van de weduwe Aaltje Krijnen-de Gooijer af. Berucht is ook de boerderijbrand van 1929 bij Jacob Krijnen in de Beiert. (8) De laatste flinke brand vond plaats in 1940 in de boerderij van Aart Keijer. Deze stond op de hoek Vitusstraat / Westwalstraat. Gelukkig was de brandweer ook preventief bezig. Met een lang steekijzer aan het einde voorzien van een thermometer, kwamen ze regelmatig bij de boeren langs. Het was een ramp als zo’n hooischuur leeggehaald moest worden en het hooi op straat uitgespreid. Gelukkig wisselden de boeren bij het opslaan het gortdroge hooi van de wallen af, met het vochtige zware (voedzame) hooi uit de Buitendijken bij Muiderberg. Het hooiland daar was voor een groot deel bezit van het weeshuis. Jaarlijks vond de verpachting door een notaris plaats in het stadhuis van Naarden. Pas wanneer het stadhuisklokje was geluid mocht men naar binnen. Dat was maar goed ook, want de hal was in een mum van tijd gehuld in dichte wolken sigarenrook.

Militair belang bij stadsboerderijen

De boerenbedrijven vervulden in de grensvesting Naarden een
functie die elders na de zeventiende eeuw niet meer noodzakelijk
was. Tijdens een militaire belegering konden de ingeslotenen
langdurig leven van de aanwezige voedselvoorraad. Van dit
voedsel hebben vooral vijandelijke troepen geprofiteerd. Twee
maal hebben Franse bezetters en de Naardense bevolking een
langdurige belegering overleefd. De eerste keer van juni 1672
- september 1673, de tweede keer van november 1813 - mei 1814.

Ook nadien hebben militairen gebruik gemaakt van de Naardense
boeren. Gebrek aan militaire vervoermiddelen leidde in 1914-
1918 tot inschakeling van boeren met hun paard en wagens. In en
om de vesting werden 4000 militairen gelegerd. Niet alleen
vormde dat een enorm afzetgebied voor sterke drank, maar ook
voor melk.
In vredestijd hadden de veehouders ook het voordeel van een
garnizoen naast de deur. Vooral de levering van zuivelproducten
en vlees aan de kazernekeukens was een onderdeel van hun
bestaan. (10)
Tijdens de mobilisatie van 1939 werden door het Nederlandse
leger ook paarden gevorderd. De veldartillerie maakte nog steeds
gebruik van paardetractie.
10 Mei 1940 volgde de inval van de Duitse troepen en enkele
dagen daarna viel de Grebbelinie. Op 14 mei bracht de
Nederlandse commandant vesting Naarden in staat van
verdediging. De burgers en boeren kregen opdracht de
vesting te verlaten. Voorlopig werden de evacués
geconcentreerd in de Naardense buitenwijken rond het
station Naarden-Bussum, in afwachting van transport per
trein naar het noorden. Deze evacuatie gaf ook veel problemen
voor de bedrijfsvoering van de Gooise en Naarder boeren.
Gelukkig was het vee begin mei naar de wei gebracht. Het
vee van de Huizer en Blaricummer Oostermeent werd naar
de Huizer Haven gedreven en ingescheept en in veiligheid
gebracht ten noorden van Amsterdam.
Het vee van de Naarder Meent kon niet verplaatst worden,
ten westenvan de meent was de Hollandse Waterlinie al
onder water gezet. Na de val van de Grebbelinie en de
capitulatie konden de vestingbewoners weer naar huis
terugkeren. (11)

De bezetting
De eerste jaren van de bezetting hadden de vestingboeren te maken met gedwongen leveringen van vee en voedsel. Omdat er geen krachtvoer meer uit het buitenland werd ingevoerd, moesten de veehouders overschakelen op een gemengd bedrijf. Van alleen veehouder met weidegrond, werd in de vesting weer het gemengde landbouwbedrijf ingevoerd. Al het veevoer moest voortaan door hen zelf verbouwd worden. Een gedeelte van het weiland werd gescheurd, dat wil zeggen omgeploegd. (12)

In 1943 bepaalde een verordening dat een veehouder/land-
bouwer geen twee verschillende beroepen meer mocht uitoefenen.
Er moest gekozen worden tussen het beroep van vee- of melkboer.
Vanaf de boerderij mocht geen melk meer worden verkocht of
uitgevent. Hoewel het om een oorlogsmaatregel ging, bleef de
verordening na de bevrijding van kracht en werd zelfs als wet
vastgelegd.
Het laatste kwart van 1944 streek een contingent van het Duitse
paardenvolk in de vesting neer. Het ging om een paardenlazaret.
Alle legerloodsen puilden uit
van de gewonde paarden. Wat niet geplaatst kon worden, werd
op stal gezet bij de plaatselijke boeren. Dat gaf de bezetter boven-
dien het voordeel ook de voeding ten laste van de boeren te laten
komen. Bovendien vorderden zij de gezonde paarden en wagens.
Eerst gebeurde dat ‘officieel’, later stalen individuele soldaten links
en rechts paarden.(13)
24 Oktober 1944 was een zwarte dag voor de vestingbewoners.
Duitse soldatensloten de drie toegangswegen naar de vesting af.
Via de Beatrixbrug en de zogenoemde Doorbraak marcheerden
een afdeling van de beruchte HermannGoering-troepen de vesting
binnen. Er vond een grondige razzia plaats op mannen van 16 tot
50 jaar. Alle woningen werden doorzocht op verborgen mannen.
Bij verschillende boerderijen probeerden mannen zich te ver-
stoppen. Nadat enkele soldaten een handgranaat in een schuur
hadden gegooid, kwamen moeders en vrouwen huilend hun man-
nen smeken zich maar te melden. (14)
Na de Tweede Wereldoorlog werd ook bij de agrarische bedrijven
de balans opgemaakt. De veestapel was aanmerkelijk ingekrompen.
In 1945 waren er nogzeventien boerderijen binnen de vestingwallen.
Van deze veehouders waren er tien (scharende) erfgooiers.

Hallehuisboerderijen (15)
Op de arme zandgronden van het Gooi hadden de boeren vanouds een
hallehuisboerderij. De Gooise hallehuisboerderij werd gebruikt voor het gemengde bedrijf, van zowel veeteelt als akkerbouw. Naast het erf lag vaak een kalver- of paardeweitje De omstandigheden waren hier te vergelijken met die in Drenthe en op de Veluwe. Voormalige heidevelden werden er met veel moeite omgezet in akkertjes waar rogge en gerst werd verbouwd. De bescheiden melkopbrengsten speelden nauwelijks een rol van betekenis.

Overeenkomst Goois en vesting hallehuis
De indeling van de Gooise boerderij vertoont veel gelijkenis met de
hallehuisboerderijen uit andere provincies. De ingang van het voorhuis bevindt
zich aan de voorkant in de korte gevel; hij geeft bij oudere boerderijen toegang
tot de woonkeuken. Naast de centrale keuken liggen slaapkamers, een opkamertje en een karnhuis - hoewel melk voor de boeren in het Gooi geen hoofdzaak was werd er natuurlijk wel gebruik gemaakt van de opbrengst. Woonhuis en schuur waren door een brandmuur gescheiden. Langs de muur loopt de deel dwars door de boerderij. De dwarsdeel was bereikbaar via hoge en brede deuren, de zijbaander. Ter plaatse werd het rieten dak ‘opgelicht’, omdat de zijmuren hooguit 1,75 meter hoog waren. De schuur heeft, zoals iedere hallehuisschuur, drie ‘beuken’, van elkaar gescheiden door de gebintsteunders. De zijbeuken waren in gebruik als koestal - vroeger uitgevoerd als potstal. Ten opzichte van de voedergoot stonden de koeien in een verlaagd gedeelte. Door dagelijks heideplaggen en stro onder de koeien te strooien, ontstond in de stalperiode een dikke laag mest. Boven de koeien was een lage zolder, hilde genaamd. Vanaf deze ruimte werd hooi naar beneden in de voergoot gegooid. Boven de deel of dorsvloer bevond zich de slietenzolder, waarop het ongedorste rogge werd opgeslagen.
In de vesting stonden boerderijen en woonhuizen pal naast elkaar. De
stadsboerderijen waren daardoor aangepast aan de rechte straten en de
beschikbare ruimte. Toch waren daar onder enkele zeventiende-eeuwse hallehuis
typen, die veel overeenkomst vertoonden met de Gooise dorpsboerderijen. Het
verschil zat in het aantal beuken. Terwijl het oorspronkelijke hallehuis twee
zijbeuken bezat, was er hier maar één. De elders toegepaste middenbeuk stond
direct aan de straatzijde. In de ontstane hoge gevel konden de forse baander- of
hooischuurdeuren worden aangebracht. Verder verschilden de stadsboerderijen op een aantal punten van de boerderijen in de omliggende dorpen. In plaats van het brandbare riet op de ‘Saksische’ boerderijen werden in Naarden de daken bedekt met dakpannen, vanwege het brandgevaar. Het boerderijdak was niet aan de binnenzijde beschoten, maar was gedekt met open pannen. Bijkomend voordeel was dat de wind door de pannen blies en zo het hooi koelde. Een nadeel was dat ook stuifsneeuw naar binnen waaide.

Pijlstraat / Gansoordstraat 31Vroegste bewoners
In 1749 werd de boerderij op de hoek van de Pijlstraat en Gansoordstraat bewoond door de weduwe van Anthony Groen. Daarna is deze boerderij in bezit gekomen van een aantal Naardense regenten. Tot 1761 was Casparis Guykingh eigenaar en vanaf 1762 zijn zoon Paulus. Paulus Guykingh. was een tijdlang President Burgemeester en omstreeks 1780 de eigenaar van de brouwerij De Drie Akers. Tot 1956 bevond zich in de boerderij een antieke gietijzeren haardplaat. De afbeelding bestond uit een groep dansende mensen rond een paal met een vrijheidshoed, met de tekst PRO PATRIAE. Paulus Guykingh zal deze plaat niet hebben aangeschaft. Tijdens de Patriottentijd werd hij uit zijn ambt gezet, omdat hij een vurige oranjeklant was. De notabelen verhuurden de boerderij aan landbouwers. Wie dat waren is onbekend. Guykingh verkocht in 1781 de boerderij aan de landbouwer Willem Koeman. Van de eerste volkstelling uit 1795 zijn geen gegevens bekend, wel kreeg het pand in 1806 het huisnummer 344. Het echtpaar Willem Koeman en Geertruy Groen had twee zonen, Hannis en Klaas. Omstreeks 1813 bezat de weduwe Koeman-Groen 3 paarden.16 De weduwe vermaakte bij testament aan haar zoon Hannis: ‘Het Huys, schuur en Erven.’ Vanaf circa 1819 blijkt zoon Klaas de eigenaar te zijn Tussen 1819 en 1840 hield hij gemiddeld 13 koeien, 1 vaars en 3 paarden. Bij de invoering van het kadaster werd de gehele vesting sectie G. Het perceel van de boerderij werd G 470 en het erf met losstaande schuur en wagenloods G 471. De oppervlakte was 680 centiare. In 1847 erfde Gerrit Koeman dit geheel. Op 11 november 1874 verkocht Gerrit Koeman zijn erfgoed aan de veehouder Gerrit Brouwer uit Huizen. De boerderij was bijna 100 jaar in het bezit geweest van de familie Koeman. Het koopcontract werd opgemaakt door notaris J.P. de Roeper, de koopsom bedroeg f 3000.-.

Jan de Gooijer en Klaasje Krijnen
Ten tijde van de geboorte van Jan Willemsz de Gooijer waren zijn ouders, Willem de Gooijer en Mietje Vos, pachters op het landgoed Zuid Crailo. Op dit landgoed rustte schaarrecht. Bovendien was de pachtboer erfgooier, een buitenkansje voor de landheer; zo kon hij meer gebruiksrechten op de gemene gronden claimen. Jan Willemsz werd op 7 september 1852 geboren op de hofstede aldaar. Vader Willem toog de volgende dag naar het dorp Huizen, want het landgoed behoorde tot deze gemeente. Baby Jan werd gedoopt in Blaricum, het geboortedorp van zijn ouders. In 1857 verhuisde kleine Jan met zijn ouders naar Naarden.
Klaasje Krijnen was de jongste dochter van Harmen Lambertsz Krijnen en Emmetje Dekker. Hij was erfgooier, stamde uit Bussum en had zich na zijn huwelijk in 1849 in Naarden gevestigd. Klaasje werd geboren in 1865 in de boerderij Gansoordstraat / Raadhuisstraat. Vader Harmen liet zijn dochter bij de gemeente inschrijven onder de naam Klaasje en in de R.-K. Vituskerk dopen onder de naam Klaasje. Zelf was ze niet ingenomen met haar roepnaam. Op haar grafsteen liet de familie dan ook Clazina zetten.

Jan de Gooijer trouwde 17 mei 1887 met Klaasje Krijnen.
Bruidegom Jan was 34 en zijn bruid 22 jaar. De ouders van
de bruid waren niet al te ingenomen met het huwelijk.
Waarschijnlijk had vader Harmen een betere partij op
het oog. Het nieuwe echtpaar vestigde zich in een
boerderijtje op de hoek Regenboogstraat /Wijvert.
Op dit adres nummer 460 werden de vier oudste kinderen
geboren. Marie op 21 juni 1888, Emma Maria op 11 juli
1890, Herman op 20 januari 1892 en de tweede Emma
Maria op 27 juni 1894. De eerste Emma Maria had slechts
een maand geleefd. Per 1 mei 1896 verhuisde Jan met zijn
gezin naar de boerderij hoek Pijlsteeg / Gansoordstraat.
Jan huurde de eerste twee jaar een deel van het pand van
Gerrit Brouwer. Hij overleed In 1898 en zijn erfgenamen
verkochten de hele boerderij aan Jan voor f 3500. Het
betrof de kadasternummers G 470 en G 471. Op het
gerucht dat Brouwer op zijn doodsbed “zoeken, zoeken”
had gestameld, doorzocht Jan het huis in de hoop een
schat te vinden. Tevergeefs klopte hij op alle wanden.

Het boerenleven
Het leven van Jan was zoals van de andere meentboeren. ‘s Zomers vroeg om half vijf op pad met de hondenkar om te gaan melken. Daartoe stonden twee grote trekhonden ter beschikking. Bij het Naardense bevrijdingsfeest ter gelegenheid van de herdenking van de Franse bezetting in mei 1914 deed de veertienjarige zoon Wim mee in de optocht met de hondenkar. Vaak gingen vader Jan en zijn zoons wel met paard-en-wagen naar de Naarder Meent. De jongste kinderen gingen ook mee om de koeien op te halen en naar de melkplek te brengen. Omstreeks zes uur, terug van het land, werden rond 1900 de koperen melkvaten (in de twintiger jaren vervangen door de melkbus) afgeladen en in een koelbak gezet.Het paard of de honden werden uitgespannen en gevoederd. Toen Jan wat ouder was en hulp had van zijn grote zoons, ging hij een tukje doen. Dat gebeurde zittend in een stoel, waarbij zijn hoofd op zijn armen op de tafel rustte. Daarna werden de melkbussen, kannen en emmers geboend. De melk werd direct rondgebracht naar de klanten in de hele vesting.
Een van de afnemers was het Militair Hospitaal en de kazernes werden voorzien.
Om daar melk te mogen leveren moest een contract worden afgesloten. De
menagemeester kwam persoonlijk op de boerderij afrekenen. In de hoop dat het
contract verlengd werd kreeg hij na betaling een fooi. De steekpenning was
ongeveer een rijksdaalder. Klaasje ging in de beginjaren heel vroeg naar de
kazerne om melk naar de keuken te brengen. Voordat ze daar was kwamen de
soldaten al naar haar toe om hun veldflessen te laten vullen. Zodoende had
Klaasje dan, om zes uur in de morgen, haar eerste handgeld binnen.
Er waren regelmatig controlerende ambtenaren op pad, die monsters namen van de rondgebrachte melk. De bevindingen van de keuringsdienst te Naarden werden in de krant geplaatst. Zo stond in ‘ De Nieuwe Gooilander’ van januari 1922 een opsomming van de namen en adressen van de melkverkopers met de uitslag van het melkonderzoek, onder het kopje: “Verslag van het onderzoek van monsters rauwe melk, gedurende de maanden September en October 1921”. Jan de Gooijer uit de Pijlstraat 6 had melk met een soortelijk gewicht van 1.0307 en een vetgehalte van 3.15 %. Het resultaat behoorde tot het gemiddelde. Jan had in ieder geval geen water bij de melk gedaan.
Een liefhebberij van Jan was ook het fokken van paarden. In 1903 schaarde hij
naast 16 koeien en een vaars ook een fokmerrie en een ander paard. Als de merrie voor de kar liep, huppelde het veulen los naast zijn moeder mee. Het veulen moest leren parmantig zijn hoofd omhoog te houden. Hiertoe werd een eeuwenoud gebruik toegepast. Als het veulen het erf via het wagenpad verliet, liep het onder een tak van een boom door. Aan die tak hing zijn gedroogde haam (nageboorte). Volgens de volkswijsheid keek het veulen dan
fier omhoog. Jan hield er ook van om, op bruiloften en partijen van familie,
voordrachten te houden. Die rijmelarijen bevielen zijn trotse vrouw niet. Een
serieuze boer hoorde zich alleen met nuttige zaken bezig te houden, zoals met
de erfgooier.
Bij de uitbraak van het erfgooiersconflict rond 1900 koos Jan de kant van de
nieuwe partij tegen het oude bestuur van Stad en Lande. Zijn oudste broer
Cornelis was zowel gemeenteraadslid als bestuurslid van de partij van Floris
Vos. Tijdens de raadszittingen kwam hij op voor de nieuwe erfgooierspartij.
Jan kende dus wel degelijk een serieuze kant. Overigens waren er binnen
Jans generatie De Gooijer wel meer rijmelaars en zelfs dagboekschrijvers.
De familie Krijnen was meer zakelijk ingesteld.

Dochters en zonenMet drie kinderen was het echtpaar De Gooijer in de boerderij getrokken. Er
werden aldaar de zes jongste geboren en wel: Alie op 3 oktober 1896, Cor op 16
september 1898, Wim op 18 augustus 1900, Bep op 26 januari 1903, Annie op 18 augustus 1905 en Jan Jacobus op 14 augustus 1909.
Jan en Klaasje hadden op de oude stadsschool in de Schoolstraat (Pastoorstraat)
gezeten. Dit slechte pand werd in 1877 vervangen door een school op de hoek
Gansoordstraat / Pijlstraat.18 De zijgevel van de Openbare school lag aan de
Pijlstraat recht tegenover de boerderij. De post bracht vaak brieven, die alleen
geadresseerd waren met “ Familie de Gooijer, tegenover de Openbare School.” De oudste Gooijer kinderen behoefden alleen maar de straat over te steken om naar school te gaan. Na de komst in 1904 van de katholieke Maria-meisjesschool, in de Turfpoortstraat, gingen daar de jongste dochters heen. De jongste zonen gingen naar de St. Jozefschool, die in 1906 aan de Gasthuisstraat geopend was. (19)
Zoals eerder vermeld overstroomde soms het zeewater ook een deel van de vesting. In een nacht van 1916 bonkte de porder hard op de luiken, terwijl hij
schreeuwde: ‘De zee komt over!’ Jan en zijn zonen staken graszoden uit het
bleekveld en gooiden die voor de hooischuurdeuren. Gelukkig net op tijd, want
even later stroomde het water door de Pijlstraat naar de lager gelegen
Gansoordstraat. (20)

De jeugd vliegt uitDe eerste die het huis verliet was dochter Marie. Zij trouwde in 1914 met de
boekhouder Henri Marquenie. Bij die gelegenheid werd een groepsfoto op het
bleekveld genomen. De wederzijdse families en de bruiloftsgasten werden voor het nageslacht vastgelegd. Zoon Herman werd in 1915 opgeroepen om zijn militaire dienstplicht te vervullen, volgens hem de mooiste tijd van zijn leven. Hij
bracht het tot sergeant en had graag beroeps willen worden, maar het leger werd
na 1918 ingekrompen. (21)
Herman trouwde in 1920 met de Bussumse Marie Post. Hij bleef voorlopig in het
bedrijf van zijn vader werken. Het echtpaar Herman en Marie ging wonen in het
voorhuis van de boerderij . Hier werden hun oudste zoon en hun drie dochters
geboren. Het huis werd al spoedig te klein en Herman begon in 1927 voor zich
zelf in een boerderij in de Bussummerstraat. Zoon Wim trouwde met Martha Ruiter en trok nu in het voorhuis. De oudste kinderen van dit echtpaar werden ook hier geboren. Na hem zoon Bep met zijn vrouw Ida van Eijden en wederom werden hier hun oudste kinderen geboren. De jongste zoon Jan werd met zijn vrouw Annie Ikking de hekkensluiter Nadat zijn oudste kinderen in het voorhuis waren geboren verhuisde hij eind 1941. Alle zonen hadden tijdens hun eerste huwelijksjaren in het bedrijf van hun ouders gewerkt.
Dochter Cor trouwde met de Bussumse politieagent Tijs Gommers. Alie trouwde de landbouwer Kees van der Zwaan. Emma trad in een kloosterorde en werd
missiezuster. Vanaf begin dertiger jaren, tot opsluiting in een Jappenkamp,
werkte zij op Java. De jongste dochter Annie volgde met succes de kweekschool en was een tijdlang onderwijzeres in Naarden. Zij trouwde de rubberplanter Charles Hogeboom ‘met de handschoen’. Annie nam de boot naar Indië en woonde tot de
Japanse bezetting op een rubberplantage in de omgeving van Medan op Sumatra.
Vader Jan was inmiddels in 1924 overleden, hij heeft alleen zijn vier oudste
kleinkinderen gekend.

De weduwe De Gooijer-KrijnenNa het overlijden van haar man bleef Klaasje achter met een gezin
met drie volwassenen en twee nog niet volwassen kinderen. De
weduwe De Gooijer-Krijnen was een sterke persoonlijkheid.
Energiek zette zij het bedrijf voort, eerst met één haar zonen.
Omdat zij als weduwe op haar mans boerderij woonde, behield zij
het schaarrecht. Bij een weduwe noemde men dat ‘Scharen bij de
gunst’. Later kwam er een knecht, maar haar zonen bleven ook
hand - en spandiensten verrichten. In de huishouding werd
Klaasje eerst bijgestaan door dochter Alie. In 1938 kwam haar
oudste kleindochter, de vijftienjarige Annie, ‘voor dag en nacht’
bij haar. Vanaf dat jaar deed Annie de huishouding en verzorgde
zij haar grootmoeder tot die in 1956 overleed.

Klaasje was een boerin in hart en nieren. Ze hield de stand van de
veestapel zelf in het oog en bepaalde welke koeien vervangen
moesten worden. Ze was ook erg gehecht aan het paard Moppie.
Toen het dier te oud werd, moest het vervangen worden. Dieren-
liefde bij boeren had zijn grenzen. Een bedrijf kon het zich niet
veroorloven een oud paard in leven te laten en te voeden. Dus
ging het naar de slachter. Klaasje was bang dat het dier na de
verkoop in handen zou komen van een sjacheraar die het zou
afbeulen. Ze eiste daarom van de slachter dat deze haar de
paardenhoef (met het brandmerk) terug gaf, als bewijs dat
Moppie daadwerkelijk geslacht was.

De weduwe bleef zelfs tijdens de Tweede Wereldoorlog, van
haar vijfenzeventigste tot haar tachtigste jaar, de bazin van
haar bedrijf. Ze moest aanzien hoe verschillende van haar
koeien werden gevorderd voor de voedselvoorziening. Haar
paard werd einde 1944 door de Duitse Wehrmacht gevorderd.
Als moeder en grootmoeder was ze zeer bezorgd om de veiligheid
van haar zonen en oudste kleinzoon, vooral toen de razzia’s
op mannen begonnen. Tijdens de eerder genoemde grote razzia
op 24 oktober 1944 probeerden twee zoons van Klaasje
tevergeefs de schuilplaatsen in de boerderij te bereiken.
Onderweg van hun huis naar de boerderij, een afstand van
nog geen honderd meter, werden ze door de Duitse soldaten
opgepakt. De Duitse soldaten drongen ook de boerderij
binnen. De hoogbejaarde Klaasje werd door hen gedwon-
gen mee te gaan naar de hooischuur. Daar vroegen ze aan
de oude vrouw of er iemand in het hooi verborgen was.
Ze dreigden daarbij in het hooi te zullen schieten. Hoewel
Klaasje niet wist of iemand in het holwas, beduidde ze de
helden dat ze hun gang konden gaan. (22)

Na de Tweede Wereldoorlog bleef Klaasje vee houden
en hield het bedrijf gaande met een knecht. Haar zonen
hadden allen een eigen bedrijf, maar sprongen regelmatig
bij. Stad en Lande was zeer streng op het punt van het
schaarrecht. Het bestuur stuurde begin 1947 een
brief naar de weduwe De Gooijer-Krijnen, met het verwijt
dat niet haar knecht maar haar zoon haar koeien op de
meent had gemolken.

Klaasje was zeer geliefd bij haar nageslacht. Iedere zondag,
na de kerkdienst, kwam de hele familie De Gooijer op bezoek.
De kleinkinderen speelden dan op het erf of in de schuur.
De kleine achterkamer was dan propvol. Als haar jeugdige
kleindochters zich in iets nieuws hadden gestoken kwamen
ze de aankoop laten keuren door hun grootmoeder.
De bejaarde vrouw zat dan in een hoekje van de kamer naast
de kolenkachel. Als enige overlevende van haar generatie
bezochten ook verre familieleden haar. Dochters, zonen van
haar overleden broers, zusters en schoonfamilie kwamen
regelmatig langs bij hun tante Klaasje.

‘s Nachts sliep ze in de bedstee van het kamertje. Met
Sinterklaas mochten de kleinkinderen hun schoentje zetten
langs de wanden van de pronkkamer. Ze kregen dan een grote
speculaaspop, een schriftje, potloodje en een gummetje.
Hun grootmoeder hing iedere jaareen pluk watten in de
schoorsteen, want Sinterklaas was met zijn baard
daarin verstrikt geraakt.

-----------------------------


BesluitIk heb getracht te de periode waarin binnen de vesting Naarden boerderijen nog
volop functioneerden te bescrhijven. Niet alleen het boerenbedrijf kwam aan de
orde, ook het boerenleven. Wie nu een vestingboerderij in bedrijf wil vinden,
zal tevergeefs zoeken. Het laatste overgebleven bedrijf moest in 1967 stoppen op
last van burgemeester Cramer. Deze zeventiende-eeuwse boerderij is afgebroken.
Een dicht bebouwde kom verdraagt nu geen veehouderij meer. Wat nog rest zijn tot woningen omgebouwde boerderijen. Enkele ervan zijn van buiten nog herkenbaar. De boeren, waaronder erfgooiers, zijn verdwenen. Van slechts twee zeventiende-eeuwse vesting hallehuisboerderijen bestaan uitgebreide beschrijvingen en tekeningen, die hieronder volgen.
----------------------------------------------
Bijlagen: gedetailleerde beschrijving van de boerderijen en plattegronden
Pijltraat / Gansoordstraat 31
De zijgevel van de boerderij lag aan de Pijlstraat. Vanaf de Gansoordstraat
gemeten was de lengte 36 meter. Eerst kwam het voorhuis met een raam. Daarnaast begon het woongedeelte van het achterhuis met een raam en de voordeur. Beide ramen hadden groene luiken. Het overige gedeelte bestond uit een hoog raam van het spoellokaal, grote baander deuren naar de deel (dorsvloer). Verder aan de straatzijde de houten hooischuur met hooischuurdeuren. De brede geteerde en gepotdekselde planken waren afkomstig van een zeilschip, getuige een vermelding op een plank aan de binnenzijde. Niemand nam de moeite de tekst over te nemen. (26)
De gevel van het voorhuis was 10 meter breed en lag aan de Gansoordstraat 31,
naast de voordeur zaten ramen, eveneens met luiken. Alleen de kleine
benedenverdieping van dat huis werd bewoond. Direct naast het voorhuis was een kleine deur in de lange houten schutting. Voor de inrit naar het erf zaten twee
grote poortdeuren. Het erf bestond uit een bleekveld met vruchtbomen, met daarop een schuurtje. Dit schuurtje was door een houten wand in tweeën gesplitst. Aan de ene zijde was de zomerkeuken, aan de andere zijde een ouderwetse plee. Het wagenpad liep zowel naar stallen in de achtergevel, als naar een vrijstaande schuur met open wagenloods.
Het echtpaar De Gooijer-Krijnen woonde vanaf 1896 tot 1924 in het grote
achterhuis. Na het overlijden van haar man bleef de weduwe hier tot haar
overlijden in 1956 wonen. De boerderij was in een ver verleden gesplitst in
voor- en achterhuis door eenvoudig enige binnendeuren dicht te timmeren. Zowel
de zolder boven als de kelder onder het voorhuis waren alleen bereikbaar via het
achterhuis. Het woongedeelte bestond slechts uit twee kamers.
Aan de Pijlstraatzijde de ruime voor- of pronkkamer en aan de achterzijde
bevonden zich de kleine achterkamer. De voorkamer was voorzien van twee
bedsteden voor volwassenen en een voor kleine kinderen. Overdag werden, na het luchten, de bedsteedeuren gesloten. De kamer stond vol met mooie spulletjes,
zoals een mooie Biedermeier canapé met bijbehorende stoelen. Verder een antieke ronde tafel, een kast. Naast de haard een grote koperen doofpot. Boven de schoorsteenmantel een grote oude spiegel met vergulde lijst en in de schouw de eerder genoemde grote antieke gietijzeren haardplaat. De voorkamer werd alleen bij speciale gelegenheden gebruikt, zoals bij de verjaardag van Klaasje,
buitengewoon bezoek en voor de sinterklaasgeschenken.
Klaasje woonde in de kleine achterkamer en zat zomer en winter in hetzelfde
hoekje. Daarboven stond op het dak nog een oude schoorsteen met aan de erfzijde een luik. Vroeger hing men in de ruimte achter het luik worsten en hammen. Door in de kamer met hout te stoken werd het vlees gerookt.
Beide genoemde woonkamers lagen aan een brede gang, die van de voordeur in de Pijlstraat naar de achterdeur van het erf liep. De gang was de scheiding tussen
het woon - en het bedrijfsgedeelte. Naast deze gang lag het spoellokaal met een
oude houten pomp. Hier werden de melkemmers en bussen geboend. Ook de drinkgoot van de koeien werd van hieruit gevuld, dat betekende langdurig pompen. Via een gang naast het spoellokaal waren ook de andere bedrijfsruimten van binnen uit te bereiken. Allereerst de lemen dorsvloer, waar hoge hooiwagens naar binnen werden gereden en gelost in het daarnaast gelegen hooivak. Vanaf de deel was de paarderuif te vullen. Vervolgens kwam men in de koeienstal waarin tijdens de stalperiode zeventien koeien tussen staken vastgebonden waren. De koeien stonden op een soort ligplaats, die bestond uit een dikke laag wit zand bedekt met een laag stro. Hierachter liep de groep voor de opvang van de mest. Om vervuiling van de koeienstaarten te voorkomen, waren die met een dun touw verbonden aan een soort waslijn. Tussen de muur en de groep was een looppad, dat nodig was voor de melkers en het schoonmaken van de groep. Boven het vee was de hilde. Het geraamte van de hooischuur en de beide inrijruimten bestond uit zes gebintsvakken. Ieder vak was gemiddeld 4 meter. De gebints-stijlen van de ‘middenbeuk’ stonden 6 meter van elkaar en waren verbonden met een zware
hoofdbalk. De kapconstructie van daksparren werd gesteund door hanebalken en
kinderbalken.

PLATTEGROND INWENDIGE BOERDERIJ
VOORHUIS, GANSOORDSTRAAT 31
A kamers aan beide zijde van de gang; B voordeur; C raam met groene luiken; D
kelder onder het huis.
ACHTERHUIS, PIJLSTRAAT 6E voordeur; F1 schuifraam met groene luiken; F2 schuifraam met kleine ruitjes G
pronk/voorkamer ; H gang ; I zoldertrap ; J achterkamer; K bijkeuken; L
achterdeur naar bleekveld en erf; M spoellokaal ; N dubbele baanderdeur; O deel;
P paardestal ; Q gebintsstijl ; R gepotdekselde planken; S dubbele
hooischuurdeur; T hooivak (gebintsvak); U voedergang; V holle stal; W
koeienstal; X mestluik; Y losplaats hooiwagen; Z regenwaterput.
a bedstee ; b kinderbedstee; c schoorsteenmantel; d kolenhaard ; e kolenkachel;
f keldertrap; g koelbak; h karnton met zwengel; i houten pomp; j gemetseld
wasfornuis met ijzeren kookpot; k schoorsteen met rookruimte achter luik; l
paarderuif bereikbaar vanuit deel; m voeder- en drinkgoot; n kopzijde vee tussen
dennestaken; o staan - en ligplaats (op dikke laag wit zand bedekt met stro); p
groep voor de mest; q loopgang; r mestluik


__________________________________
Afbeeldingen:
Potstal (noot 4)
http://www.wasven.nl/groendomein/12-potstal.htm
Dorsen met dorsvlegel
http://www.de-kantlijn.com/afbeeldingen/dorsen.jpg
Floris Vos (noot 5)
http://members.chello.nl/ddberg/floris%20vos.gif
Runderhorzel (noot 6)
http://nl.wikipedia.org/wiki/Runderhorzel
Watersnood 1916 (noot 7)
http://www.w8.nl/zuiderzeevloed.htm
Slietenzolder (Vestingboerderij, type hallehuis)
http://www.hooiberg.info/images/bergbouw/hilder.jpg
Boerderij Pijlstr./Gansoordstr.
_______________________________________________
Noten
1. Stadsboerderijen is eigenlijk de juiste benaming. Nu echter in de Naardense
woningadvertenties staat ’vestingpand’ of ‘vestinghuis’, lijkt ook het begrip
vestingboerderij geschikt.
2. In de drukke en winterperiode verongelukte Jan de Gooijer bijna door een op
hol geslagen paard. De Gooi en Eemlander schreef hierover: Donderdagochtend 31 December 1897 kwart over elf sloeg het paard van De G. op hol, deze eigenaar een eind meesleepende. Aan het einde van de Oosteindestraat werd door het dier een hek omgeworpen en gebroken. Gelukkig vielen er geen persoonlijke ongelukken voor. ‘Gelukkig’ mogen we wel zeggen, want eenige minuten later was de straat vol van de Openbare School verlatene kinderen.
3. Gooi en Eemlander – Zaterdag 18 Juni 1896.
4. In een potstal staat een koe op haar eigen mest. In het begin van de
stalperiode stond ze in een kuil, die steeds verder gevuld werd met een nieuwe
laag heiplaggen. Steeds steeg dus de mestbodem. Bij een moderne groepstal komt de mest in een goot achter de koe.
5a. Zie over de problemen met de erfgooiers: De Vrankrijker, Stad en Lande van
Gooiland.
5b. Het schaarrecht, recht om vee te laten weiden, werd hoofdzakelijk toegewezen aan gehuwde echtparen. Een erfgooiers weduwe mocht blijven scharen, maar dat noemde men ‘bij de gunst’.
5c. Omstreeks 1580 werd in het Gooi de eeuwenoude Juliaanse kalender vervangen door de huidige Gregoriaanse. (In de USSR pas in 1918) Nog in de negentiende eeuw hielden de erfgooiers vast aan de eerste mei volgens de tijdrekening van voor 1580.
6. Fokkinga, Koeboek, 134
7. Maas, De Geschiedenis van Naarden, 103.
8. Bussumse Courant 17 oktober 1929.
9. Bruijn & Schukking, Nederlandse Vesting,172-73.
10. Het zijn vooral de Franse troepen geweest, die tijdens het beleg in 1672 en
1813 van de voedselvoorraad hebben geprofiteerd.
11. Langelaar, Dagboek, 13 - 15 mei 1940.
12. De Vrankrijker, Stad en Lande van Gooiland, foto’s 39,40.
13. Langelaar, Dagboek, 24 februari 1945.
14. Langelaar, Dagboek, 26 oktober 1944. Moet zijn: 24 oktober 1944.
15. Zie het inleidende artikel van Laarakkers.
16. SAN, Veetelling 1813, 1819-1840.
17. Heupers, Volksverhalen, 280.
18. Maas, Geschiedenis van Naarden,87.
19. Ibidem,90.
20. Bijlevelt, Oude Ansichten,70.
21. Hoewel de boerenzoon Herman de Gooijer uit de Pijlstraat 6 nog geen militair was, moest hij bij het begin van WO I in 1914 met eigen paardentractie kanonnen wegbrengen naar Utrecht. Einde WO II stal de Duitse Wehrmacht zijn paard, net als bij de overige boeren.
22 Dagboekaantekening van C.E.M. de Gooijer.
23 Kadaster Naarden Sectie G 1880.
24 OAN 3072 fo 388: Transporten en Hypotheken.
25 Steller dezes en zijn broer [red.]
26 De Bussumsche Courant, 2 mei 1963.
27 Een aantal Naardense straatnamen zijn in 1918 vervallen. De reden was dat
sommige delen van de straten te kort waren. Derhalve werden straten
samengevoegd. Vervallen zijn onder andere: Bergstraat, Gijgelstraat, Korte
Pijlstraat, Oosteinde straat, Schippersstraat en Tweede Marktstraat.
-----------------------------------------
Literatuur en bronnen:
K.C. van Bijlevelt, Naarden in oude ansichten (Zaltbommel, 1969).
C.A. De Bruijn & W.H. Schukking, Naarden 1350-1950. Geschiedenis van een
Nederlandse Vesting (Leiden, 1950).
A. Fokkema, Koeboek (Culemborg, 1985).
M. Langelaar, Dagboek van een Naarder 1940-1945 (Naarden, 1995).
J.H. Maas & A. Maas, Geschiedenis van Naarden (Naarden, 1950).
A.J.C. de Vrankrijker, Stad en Lande van Gooiland. Geschiedenis van de
erfgooiers en hun problemen 968-1968 (Bussuym, 1968).
Dagboek van mevrouw C.E.M. de Gooijer 1943-1945.
OAN: Oud archief Naarden.
SAN: Stadsarchief Naarden.
______________________________________________________
Tussen Vecht en E em, 21e jrg. 2003
F.J.J. de Gooijer
gooijerfjj@hotmail.com
http://gooijer.netfirms.com/
http://gooijer.nl.jouwpagina.nl/
http://gooiland.vijftigplusser.nl/

________________________________________

____________________________________________________
Notarisakten van de stadsboerderij Gansoordstraat / Pijlstraat
Welk perceel de verkooper verklaart hem in vollen en vrijen eigendom toe te behooren en aan hem te zijn opgekomen bij en de laatste titel van eigendom en overschrijving te bestaan in eene acte van scheiding dato zestien Januarij, achtienhonderd zeven en veertig , ten overstaan van den notaris Cornelis Petrus de Roeper, en getuigen te Naarden verleden, geregistreerd en ten hijpotheekkantore te Amsterdam, den zes en twintigsten Januarij deszelven jaars, in deel twee honderd elf, nummero zes en veertig overgeschreven ____
Geschiedende deze verkoop omme en voor de som van drieduizend gulden, welke de kooper bij deze aanneemt aan den verkooper, diens erven of regtverkrijgenden te zullen voldoen in eene som, drie maanden nadat daartoe op of aanzegging zal zijn geschied, welke op – of aanzegging ten allen tijde zal kunnen en mogen plaats hebben, zullende het den kooper als schuldenaar inmiddels vrijstaan aflossingen te doen van minstens tweehonderd gulden ---
Aannemende enzoovoorts _______________
Dat baten, lasten, periceel, risico, onderhoud en reparatien van het overgedragen perceel van heden af voor koopers rekening zullen zijn, die hetzelve dadelijk kan aanvaarden en door wien de kosten dezer acte, met alle gevolgen en aankleven derzelve geheel en alleen zullen worden gedragen en betaald. ____________
De verkooper heeft den kooper gesteld en gesurrogeerd in alle regten van eigendom, die hij opgemeld onroerendgoed heeft of zoude kunnen hebben verbindende zich om door overschrijving van afschrift dezer acte, ten hijpotheekkantore te Amsterdam de levering van gemeld perceel te effectueree, autoriseerende de kooper daartoe bij deze, toestemmende verkooper te dien einde in de uitgifte vanafschrift aan den kooper en de kooper in de uitlevering eener eerste grosse aan den verkooper _________
Tot nakoming dezer verbinden partijen zich als volgens de wet, kiezende ten deze domicilie te Naarden , ten kantore van mijn notaris in nummero 324. Aldus verleden te Naarden, in het huis, staande in de Voorstraat nummer 242, den tweede November des jaars achttien honderd vier en zeventig des namiddags in tegenwoordigheid van den heer Gerrit Munnikhuizen , candidaat notaris, beide wonende te Naarden, als getuigen mij notaris bekend, welke de minute dezer, onmiddellijk nagedane voorlezing nevens de comparanten en mij notaris hebben ondertekend
Geteekend G. Koeman, G. Brouwer, G. Munnikhuizen, P. Munnikhuizen, J.P. de Roeper notaris
________________________________________________________________________­__
Het huurcontract van de boerderij, zonder het voorhuis, luidde:
"De ondergetekende Gerrit Brouwer de oude, zonder beroep, wonende te Naarden, verklaart bij deze te hebben verhuurd aan de medeondergeteekende Jan Willemszoon de Gooijer, veehouder, wonende te Naarden, die verklaart gehuurd te hebben, en in huur aan te nemen: 'eene boerderij met schuur, loods, erf en tuin, staande en liggende te Naarden in de Lange Pijlsteeg en uitkomende in de Gansoordstraat, nummer 388, zooals al hetzel­ve thans in huur is bij Jan Keijer en zulks voor de tijd van zes jaren, ingaande 1 Mei 1896 en eindigende 30 april 1902, mits de verhuurder en zijne echtgenoote, beiden nog in leven zijn; mochten zij beiden , voor het eindigen dezer huur; overleden zijn, zoo zal alsdan de huur eindigen 30 April, volgende op het overlijden der langstlevende, en wijders onder voorwaarden.
1: Dat de huurder wekelijks als huurprijs zal betalen de som van f 3,50, voor het eerst te voldoen op Zaterdag 9 Mei 1896, daarna een week daarna, en zoo vervolgens van week tot week.
2: Dat de huurder het gehuurde als een goed huisvader moet bewonen en ge-bruiken en zal voldoen alle lasten en bezwaren, waartoe huurders gehouden zijn of verplicht mochten worden, met uitzondering van de Personeele belasting, die door den verhuurder en den huurder elk voor de helft zal moeten voldaan worden.
3: De verhuurder behoudt zich het recht voor om in gebruik te houden, zooals nu het beding is bij den huurder Jan Keijer, van de navolgende goederen, als bleekveld, het secreet, de regenbak, de kippenloop, en de boomvruchten tezamen, verder blijft de halve loods en het gangetje tusschen den stal en de schutting aan den verhuurder, voorts heeft hij het recht om water te halen uit de pomp, staande op het bij deze verhuurde.
4: Dat de huur zal eindigen op den hierboven bepaalden tijd, zonder dat de huurder het recht heeft, zich te beroepen op art. 1609 van het Burgelijk Wetboek, daar verdere huur uit schriftelijke overeenkomst moet blijken.
De ondergeteekenden verbinden zich als volgens de wet en kiezen domicilie ten gemeentehuize te Naarden.
Geteekend te Naarden, den 24 December 1895.
G. Brouwer J. de Gooijer
_________________________________________________________________________
VERKOPING
Op heden den vierden Augustus, des jaars achttienhonderd acht en negentig des avonds om zeven uuren, in het logement "de Doelen" te Naarden, verschenen voor mij Pieter Munnikhuizen, notaris in het arrondisement Amsterdam, ter standplaats Naar­den, in tegenwoordigheid van Jacob Gerhard Schonfeld Wichers, candidaat notaris en JohannesLuysterburg, gemeente veldwach­ter, beiden wonende te Naarden, als getuigen: de heer Jacob Baas, zonder beroep, wonende te Hilversum, in hoedanigheid van lasthebber van:
I
a. Annigje van Altveer, weduwe van Gerrit Brouwer, zonder beroep, wonende te Naarden.
b. Johannes Brouwer, veehouder, wonende onder Huizen, in wettige algeheele gemeenschap van goederen gehuwd met Jannetje Brouwer.
____________________________________________________
Direct na het overlijden van G. Brouwer in 1898 kocht Jan de gehele boerderij voor
f 3500.-.
[ Zijn echtgenote Klaasje de Gooijer-Krijnen overleed in 1956 en heeft daar dus 60 jaar gewoond]

____________________________
F.J.J. de Gooijer